Dag 10 – een enorme afstand afgelegd!

Ralph lake ligt hemelsbreed 24 kilometer bij de auto vandaan. Dat was hemelsbreed. Lopend is het zelfs 55 kilometer. In 4 dagen af te leggen. De missie is om tijdig bij het beginpunt terug te keren. Ik heb misschien net even te lang genoten van mijn eerdere rustmomenten…
Ik vertrek om 07:45, met het doel om tot aan de grens van Banff National Park te komen. Banff ligt in Alberta (dus geen wildkamperen), maar als ik vandaag dichtbij die grens kan komen, dan red ik het wel. De route is niet erg aanlokkelijk: eerst een steile afdaling (te steil voor paarden), dan een eindeloos stuk over een weg omhoog. Opnieuw een zonovergoten dag. Een beetje schaduw was ook leuk geweest (toch klagen he, over het weer. Blijf Nederlander natuurlijk). Het is de verwachting dat ik vandaag weer mensen tegenkom. Dat is sinds dag 5 (Palliser river) niet meer gebeurd.

De klim is steil en soms wat lastig, maar, omdat het naar beneden gaat, niet extreem zwaar. Het gaat eigenlijk wel voortvarend. Ik had wel een nieuwe uitdaging: dauw. Ik liep de hele tijd tussen de lage struiken en tussen het hoge gras en daar lag zoveel dauw op, dat niet alleen mijn broekspijpen doorweekt waren, maar het ook in mijn schoenen liep. En wel zo erg, dat ik binnen een uur in mijn schoenen aan het soppen was. Dat is niet goed voor mijn blaren! Omstreeks 10 uur heb ik mijn schoenen leeggegoten, sokken uitgedaan, mijn linkervoet in een ballon gestoken die ik kort daarvoor had gevonden (en meegenomen – wilde geen troep achterlaten), en weer op pad. Deze situatie was allesbehalve ideaal.

Omstreeks 12:00 kwam ik aan op een kale helling, met daaronder grote machines voor bomenkap. Ik had de weg bereikt. Nu was het nog een tiental kilometer naar Banff. Opvallend: het trail dat ik net had gelopen, was afgesloten van deze kant.


Ik besluit na een half uurtje om middagpauze te houden op de weg. Ik zet mijn stoel op, schoenen uit, laat alles drogen. En ondertussen ligt mijn rugzak midden op de weg. Hee, er komt toch niemand langs.
Na 10 minuten hoor ik opeens een auto. Heh? Goed, ik haal snel mijn spullen weg; we zeggen hallo tegen elkaar en ze rijden door. Hmm, een lift was wel leuk geweest, maar ik zou me niet kunnen opdringen. Ik ga weer zitten en rust wat verder uit.

Nog geen 10 minuten later hoor ik weer wat aankomen. Nou zeg, het lijkt wel spitsuur! Ditmaal een quad, met 2 mensen erin met motorhelmen op. Ze stoppen, zetten de motor af en vragen of alles OK is. Ja hoor, ik rust alleen wat uit en laat mijn schoenen drogen. Hun motor was oververhit; ze hadden wel even. Ik vroeg hen wat hun plannen waren voor vandaag. ‘Just drive to the end of the road.’ Ehh, dat ga ik ook doen, maar dan lopend. Ik vertelde mijn einddoel van de dag en ik kreeg een lift aangeboden. In de quad was geen ruimte, maar ik kon wel achterop zitten, als ik wat zou inschikken en me goed vasthield. De motor was weer wat afgekoeld; ik stapte op. Elke 3 kilometer moesten we even stoppen omdat de motor oververhitte. Op één van de stops heb ik even geposeerd voor de foto:

Nee, ik heb er niet zelf in gereden. Door het net is nog net mijn rugzak te zien.

Het bleken Roger Bootsma en Kim te zijn. Een erg Nederlandse naam inderdaad: hij had Nederlandse roots. Zijn oom woont in Wolvega. Hij was enkele jaren geleden nog in Nederland op vakantie geweest en had al fietsend Friesland doorkruist. Grappig. Ik vertelde over wat ik had gelopen en hij had – 15 jaar geleden – het trail naar Ralph lake wel eens gelopen. Hij wist zich alleen nog te herinneren dat het zwaar was. Inderdaad; ik had het geluk dat ik naar beneden liep vanochtend.

En dan gaat het dus opeens snel. Ik rij met 30 km/h, in plaats van dat ik loop met 3 km/h. Minder dan een half uur later zijn we bij het einde van de weg. Er staan twee auto’s geparkeerd. Tot mijn verbazing stopte hij niet. ‘Nee, we kunnen nog een stuk doorrijden.’ Dit zei hij direct voor een riviertje, waar ik zeker mijn schoenen voor uit moest trekken en dat toch wel vrij diep lag. ‘Can this thing do that?’ Vraag ik nog, maar we gaan al, over de rivier.

Het trail is hiervoor gemaakt: het zijn twee sporen in plaats van 1. Tot mijn verbazing rijden we nog kilometers door het trail op, tot een punt dat het echt ophoudt. We zijn dan nog maar zo’n 500 meter van de grens van Alberta / Banff national park vandaan. Wow! Dit is waar ik wilde kamperen. En ik was er al om 14:00 in plaats van in de avond. Bij de laatste stop krijg ik nog wat te eten aangeboden. Een grote chocolate chip cookie, een granola bar, wat worteltjes. Met enige schroom neem ik ervan. Het voelt toch wel goed om eens wat anders te eten dan noten!

We lopen met zijn drieën door, naar Leman Lake, een meertje nét in Banff. Terwijl we de grens oversteken, bedenk ik me: vandaag ga ik verder komen dan gepland. Ik zal Banff inlopen, het helemaal naar het zuiden uitlopen, en kamperen nét na de grens, weer in Britisch Columbia/Height of the Rockies Provincial Park. Dat haal ik wel.

Lake Leman.

Bij Lake Leman nemen we afscheid – ik heb nog veel km’s af te leggen. Ik hoop erop dat ik rechts langs het meer kan lopen naar het hoofdtrail en ga vol energie op pad. Al na 500 meter stopt het trail. En dan bega ik mijn eerste fout van de dag: ik besluit om off-trail door te lopen in plaats van om te keren. Al bushwackend ging ik mijn weg naar het trail zoeken. Daarmee liep ik letterlijk vast: het bos is zó dicht begroeid, dat ik vast kwam te zitten. Er was werkelijk geen doorkomen aan. Ik ging weer een klein stukje achteruit en probeerde weer bij het meer te komen. Opnieuw maakte ik de fout om niet alsnog terug te gaan. Ik liep langs de oever van het meer – ik was al zo ver gekomen. De eerste paar honderd meter ging dat prima, maar toen liep ik vast: de oever werd een steile rotswand. Ik klom er nog een stukje langs, maar moest opgeven. Dan maar het water in. Ik waad door het meer, vlak bij de uitstroom. Het water was bezaait met dode bomen, die zich rondom de uitstroom verzamelden. Het water was hier ook te diep om te doorwaden. Grr, ik moest óver de boomstammen lopen.

Nu is het niet makkelijk om over drijvende boomstammen te lopen. Die dingen draaien (de zijtakjes waren allemaal wel afgebroken) en zinken als je erop gaat staan. Het waren enkele spannende minuten, maar kon tot de andere kant van de uitstroom komen. Nog 5 minuten later was ik weer op het trail. Ik was alles bij elkaar zeker een uur extra kwijt. Ik had écht veel beter terug kunnen gaan.

Maar goed, nu was ik op een trail in Banff. En dat is een hele andere ervaring dan de trails van de afgelopen dagen: dit trail kán je niet kwijtraken. Het is diep (soms zelfs wat te diep; levert kans op struikelen) en bij splitsingen zijn er zelfs bordjes. En als je dan een rivier over moest steken (in dit geval de Spray river), dan lag er een brug:

Zo wordt hiken wel een érg ontspannen bezigheid 😉

De omgeving is echter onverminderd mooi:

Een stukje van de ‘Great divide’, kijkend naar het zuiden, naar de (lage) Palliser pass.

Ik loop door naar Palliser pass, dat slechts zo’n 100 meter hoger ligt. Ik loop langs Belgium lake en zie tot mijn vreugde de bordjes die aangeven dat ik weer in het Height of the Rockies Provincial park terug ben. De reservering die ik had voor een kampeerplaats in Banff (een stukje noordelijker), laat ik graag voor wat die is. Ik ben een heel stuk dichter bij de eindstreep gekomen vandaag. Ik zet mijn tent op bij Palliser lake, waar de Palliser river ontpringt. De rivier die ik 5 dagen geleden nog met zoveel moeite heb doorwaadt. Het is inmiddels wel al na 20:00. Het is een zware, lange dag geweest. In totaal heb ik 29.7 kilometer afgelegd, waarvan zo’n 20 lopend. Al lopend heb ik een stijging van 900 meter en een daling van 1550 meter gedaan. Best veel al met al.

Mijn tentje, aan Palliser lake

Ik ben uiterst tevreden met het resultaat. De laatste dagen worden nu niet meer onmogelijk lang; ik lig bijna een hele dag voor op schema. Morgen de zware klim naar Beatty lake en dan twee dagen van slechts 7.5 kilometer, downhill. Heerlijk.

Dag 9 – hike naar Ralph lake

Hoe mooi het hier ook is, het wordt tijd om te gaan. Ik heb enkele zware hikes voor de boeg, ondanks dat ik de route al behoorlijk heb ingekort. Vandaag staat een zware hike voor de boeg. Eerst 200 meter omhoog, dan 300 omlaag, dan weer 300 omhoog, weer 200 omlaag. Het belooft wat te worden.

De luiken weer voor de ramen, brandhout aangevuld, kachel goed uitgebrand. Tijd om te gaan.

Ik begin om 08:15 aan de klim, de heuvel op waar ik de afgelopen dagen op uit heb gekeken. Al snel raak ik het trail kwijt. Ik vind het weer terug, maar het is wel duidelijk: hier loopt bijna nooit iemand. Uiteindelijk vind ik mijn weg naar boven, op de bergkam, waar ik een laatste blik kan werpen op het Queen Mary lake:

De bergkam. Ziet er misschien spannend uit, maar na de Northover ridge stelt dit toch écht niets meer voor. Was wel leuk om overheen te lopen.

Wat ik in het andere dal zie, is wat zorgwekkend. De voorgestelde route naar Ralph lake lijkt me onmogelijk om te volgen. Het loopt over een supersteil skreefield, met daaronder een vrijwel verticale rots. Ik kan ook geen trail ontwaren. Dit lijkt me te gevaarlijk.

De rode lijn geeft de voorgestelde route weer. Opmerkelijk was al dat dit een ‘route’ en geen ’trail’ werd genoemd. Er lijkt ook geen trail langs de bergwand te lopen.

Het lijkt me duidelijk: ik moet een andere route vinden door het dal.

Zie de kleine rode pijl. Daar moet ik naartoe. Van deze bergkam naar de volgende. De route over de steile helling rechts ga ik niet nemen; ik zal zelf mijn weg door dit dal moeten zoeken.

En zo gezegd, zo gedaan. Ik neem het minst steile gedeelte van het skreefield naar beneden en zoek mijn weg door de bossen en de struiken. Bushwacking – heb ik eerder gedaan deze trip. Onderaan in het dal aangekomen, voel ik me fantastisch.

Deze panoramofoto is gemaakt vanuit het dal. De rode pijl (links van het midden) geeft aan waar ik heen ga, de blauwe pijl (uiterst rechts) waar ik vandaan kom.

Ik realiseer me namelijk dat ik dit allemaal zelf doe. Ik ben waarschijnlijk de enige mens in dit dal. En waarschijnlijk is er ook niemand in het dal achter mij (waar ik vandaag begonnen ben). Je zou wellicht denken dat dit me angst inboezemt (er moet niets mis gaan hier. Ik ben off-trail in een gebied waar hooguit tien keer per jaar iemand komt), maar het voelt echt heerlijk. Na even uitgerust te hebben, begin ik aan de klim in de richting van de rode pijl.

En, zoals elke klim, viel ook deze tegen. Toch weer 300 of zo meter omhoog. Toch weer té steile stukken. Ik ben zelfs twee keer uitgegleden (was me nog niet eerder gebeurd deze trip). Bovenaan aangekomen (de rode pijl in de laatste foto hierboven), was dit uitzicht mijn beloning:

Het achterste meer is het doel van vandaag: Ralph lake.

Ook hier weer bleek het niet zo eenvoudig om naar beneden te komen. Weer zo’n skreefield, weer erg steil. Ik heb weer een lang stuk over sneeuw moeten lopen en dat was, omdat het zo steil was, behoorlijk eng. Inmiddels was de lucht weer wat betrokken en toen ik in het dal liep begon het lichtjes te regenen. Nog altijd was er geen trail te bekennen; er loopt géén trail tussen deze meren! Pas halverwege Ralph lake kwam ik weer een trail tegen en dat was ook meteen een erg goede. Om 16:30 was ik er. Tentje opzetten, water filteren, even uitrusten.

De blik terug over Ralph lake. De blauwe pijl geeft aan waar ik vandaan kwam. Het steile sneeuwveld eronder is goed zichtbaar.

Om 18:00 maak ik snel wat soep warm, maar de regen was me voor. Ik heb de soep in de regen staan opdrinken. Snel mijn eten opgehangen en naar bed. Al omstreeks 18:30 lig ik in de tent om te slapen. Waarom zou ik in de regen blijven staan?

Dag 8 – rustdag aan het Queen Mary lake

De hele cabin voelt als een escaperoom. Hoe werkt de olielamp? Hoe stel je luchtinlaat van de kachel af? Hoe zet je koffie met wat er aanwezig is? Hoe krijg ik het oliefornuis aan de praat? En overal lag van alles. Een oude militaire kaart van de omgeving (1977), een bak met spelletjes, slim gefabriceerde aanmaakblokjes (stukjes eierdoos met vet erin) én een gastenboek.

Ik heb lekker uitgerust. Mijn voeten hadden ook rust nodig. Met name de enorme blaar op mijn linkervoet begon een probleem te worden. Er was vuil in gekomen. Ik ben het terrein dus ook niet af geweest. Geen daghike vandaag. Ik heb alleen wat hout gehakt voor de mensen die na mij komen, mijn kleding gewassen in het meer en ik heb zitten lezen in het gastenboek (vanaf 2001). Er komen hier bijzonder weinig mensen. Echt maar een tiental groepen per jaar.

Hiermee heb ik koffie gezet. Ik weet niet zeker of ik het goed gebruikt heb – de koffie was hooguit acceptabel
’s Avonds lekker gelezen bij het warme licht van deze olielamp. Ik wil ook zo’n ding!

Dag 7 – de klim naar Queen Mary lake

Om 07:40 begonnen met lopen. Onderaan de route was een registratieformulier, in een afgesloten box. Opvallend was dat op 1 velletje papier alle registraties vanaf 2015 pasten. In 2019 waren er nog maar 6 registraties of zo. Eén daarvan viel op: iemand had als doel van de trip opgeschreven ‘QM cabin’. Ik weet dat er een park cabin is bij het Queen Mary lake, maar cabins zijn toch voor parkwachters? Ik begon langzaam een beetje hoop te krijgen dat die cabin misschien wel voor algemeen gebruik zou kunnen zijn. Nou ja, we zien wel. De route voorziet in vele crossings van de Queen Mary creek, waarna een stevige klim volgt. Netto moet ik 680 meter omhoog. Vooral tegen dat laatste zie ik op. De riviercrossings blijken allemaal vrij eenvoudig. Niets boven de knieën:

Queen Mary creek. Mooi om te zien, prima te doorwaden.

De klim viel, zoals verwacht, tegen. Omstreeks 14:00 uur zie ik het Queen Mary lake opdoemen. En ik zie een cabin. Ik ga er naartoe en zie dat het dichtgespijkerd is. ‘Private property’. Grrr. En dit was inderdaad de foto die ik tijdens de voorbereidingen thuis was tegengekomen als ‘de park cabin’. Maar er zat mij wel iets dwars: deze cabin staat niet op de plaats die is aangegeven op de officiële parkinformatie. Daarop staat een cabin verderop aan het meer.
Ik besluit om in die richting te gaan lopen. Ik zie in de verte in ieder geval een mooi grasveldje waar ik mijn tent zou kunnen opzetten. Tot mijn grote vreugde trof ik nóg een cabin aan aan het meer:

En waar ik nog blijer van werd: er stond een groot plakkaat op met daarop ‘for public use’. Ik heb de luiken van de ramen gehaald, de kachel aangestoken met het ruim beschikbare brandhout en heb mijn bezwete kleding gewisseld voor schone. Ik hoef vandaag geen tent op te zetten!

De park cabin

Ik besloot meteen dat ik hier nog een extra dag ging blijven. Dit is te mooi om meteen weer achter me te laten. De omgeving bleek uiterst fotogeniek, zeg maar gerust compleet off the chart-mooi:

De andere kant op genomen, in de ochtendzon

’s Avonds heb de olielamp aangestoken en lekker bij de warme kachel gezeten.

Dag 6 – een dag lang over een weg lopen

Vandaag zou ik de laatste 2 kilometer door het bos lopen. Het bos bleek al na zo’n 500 meter écht te dicht te zijn om doorheen te komen en ik besloot toch maar weer de reguliere route te volgen, zodat ik vandaag toch weer de rivier over ging steken. Gelukkig kon dit op punten waar de rivier extra breed was, zodat het gemiddeld minder diep was. Het viel eigenlijk best mee. Vlak voordat ik het Height of the Rockies provincial park aan de zuidkant uitliep, zag ik een wapiti hert op het trail. Helaas was ik te laat met het fototoestel.
Als laatste verrassing bleek ik ook Joffre creek nog te moeten oversteken. Nog een rivier, met water tot over mijn knieën. Geen probleem: dit kan ik inmiddels.

Vandaag stond het blauwe stuk linksonder op het programma.

Het bleek niet mogelijk om een doorlopende trail te construeren van 13 dagen. Vandaag ga ik een heel stuk over een weg moeten lopen. In totaal 17 kilometer. Niet erg enerverend en verrassend zwaar. Het was een bloedhete dag en de combinatie hitte en stevig doorlopen zorgden ervoor dat ik behoorlijke blaren heb opgelopen vandaag. Hoewel ik op een weg liep, heb ik de hele dag geen mensen gezien.

Ik liep in de richting van het begin van het pad (’trail head’) van het pad naar het Queen Mary lake. Op het laatst kwam ik wat in de problemen: mijn water raakte snel op en rondom de weg waarop ik liep, was geen waterbron. Tot overmaat van ramp kwam ik bij een splitsing, waar ik maar moest gokken welke richting ik moest kiezen. Ik koos een richting en een kilometer verder hoorde ik in de verte een kreekje ruisen. Yess! Zelfs al ben ik verkeerd gelopen, ik loop nu zeker door naar de kreek!

Het kreekje met vers water. Eindelijk. Op de foto heb ik mijn eten al opgehangen.

Daar aangekomen ben ik neergeploft en heb de tijd genomen om bij te drinken. Het was nog maar 17:30, maar ik was óp. Ik bleek goed gelopen te zijn. Het was ruim 20 kilometer vandaag, het grootste deel daarvan over een reguliere weg. Toch ook een behoorlijk hoogteverschil overbrugt: alles bij elkaar 600 meter omhoog en 500 omlaag vandaag.

Zo, tent opgezet op de parkeerplaats aan het einde van de weg. Ik had de hele dag nog niemand gezien; er ging vast niemand meer komen vandaag.

Morgen naar Queen Mary lake!

Dag 5 – de eerste rivier overgestoken

Het is opnieuw een zonovergoten dag. De nacht was wel erg koud, maar in het zonnetje warmt alles snel op. Het doel is om vandaag (1) de Palliser rivier te bereiken, (2) deze over te steken en (3) door te lopen tot ik het Height of the Rockies Provincial Park helemaal uit ben. De mannen op paarden hadden me al verteld dat mij nog heel wat river crossings te wachten gaan staan vandaag. Mijn trail map zegt me dat ik de Palliser rivier maar 1x hoef over te steken. We zullen zien. Ik vertrek om 07:50 uit Beatty lake en volg het trail in de richting van de Palliser river. Het trail is erg makkelijk te volgen – de sporen van de 4 paarden die hier gisteren nog liepen zijn eigenlijk best wel handig. Na een uur of twee lopen vind ik een hoefijzer zonder roest. Eén van de paarden is deze, op de heenweg, verloren. Ik neem ‘m mee. Wellicht wordt het een souvenir, wellicht tref ik de ruiters nog. Ze zullen ‘m vast wel terug willen.

Met de zon in de rug – een eenzame wandelaar in the middle of nowhere 😉

Om 12:00 uur bereik ik de eerste rivier, Leroy creek, waarvoor de hiking boots uit moeten. Ik trek sandalen aan en ga door de rivier. Het koude smeltwater komt tot mijn knieën; spannend is het niet. Aan de andere kant van de rivier ga ik even rusten en zie ik een nieuwsgierig hertje. Het is niet de eerste die ik zie, wel de eerste die ik op de gevoelige plaat kon vastleggen:

Na nog een paar river crossings, kwam ik omstreeks 16:00 bij de moeilijkste: Palliser river. Hier had ik tegenop gezien. Dit was er eentje waarbij het niet genoeg was om de pijpen af te ritsen.

Palliser river op de plaats waar ik ‘m ging oversteken

Zonder broek waag ik mij aan de oversteek. Het water komt tot mijn kruis, stroomt snel en is uiteraard behoorlijk koud. Met name de stroming is sterker dan ik had verwacht. Ik doe rustig en behoedzaam (ik kan me écht niet veroorloven dat ik wordt meegesleurd) en bereik de overkant.
Nadat ik me weer had omgekleed, hoor ik iemand aan de andere kant schreeuwen. Een koppel had besloten om daar in de buurt de nacht door te gaan brengen. Ze vroegen of er wel een trail was aan de kant waar ik nu stond. ‘My map says so, but I haven’t checked yet.’ Ik ging snel op zoek naar het trail.

Maar helaas, dat trail bestond niet. De ruiters hadden gelijk dat ik de rivier juist vele malen zou moeten oversteken. Nu had ik daar dus absoluut geen zin in, dus ik besloot om te gaan bushwacken. Dan maar off-trail. Het zou nog maar 6 kilometer zijn.
Ik baande mij dus een weg door een bos, over dode boomstammen, door dichte struiken. Het ging verschrikkelijk traag en bleek best zwaar. Overal liggen uitwerpselen van wapiti herten (‘elk’), die ik op dat moment nog aanzag voor uitwerpselen van beren. Ik wilde graag het bos uit.
Na drie uur bushwacken was ik zo’n 4 kilometer opgeschoten. Ik besloot om de enorm brede rivierbedding op te lopen en daar mijn tent op te zetten. Het bleek een superplaats te zijn. Prachtig uitzicht, mooie overzichtelijke plaats.

Alle kleding was best nat (ik had nogal gezweet). Een kampvuurtje was makkelijk gemaakt met al het droge hout dat in de rivierbedding lag.
Tentje opgezet, kampvuurtje. De ondergaande zon scheen nog op de toppen van de omliggende bergen. Prima plekje zo.
Een blik naar het zuiden, waar ik de volgende dag naartoe zou gaan.

Als laatste klussen van de dag heb ik water gefilterd en mijn eten bear-proof opgehangen in een boom. Tijd om te gaan slapen.

Dag 4 – rustdag

Het was duidelijk: Yesterday I bit off more than I could chew. Ik besloot om vandaag in Beatty lake te blijven. Een recoup-dag. Het was prachtig weer; het meer was idyllisch:

Strak blauwe hemel 😉
Het was geen straf om hier een dagje langer te blijven…

De andere gasten vertrokken allemaal in de ochtend. Het grootste deel van de dag ben ik hier alleen. Een prima manier om weer bij te komen.
Op een zeker moment hoor ik enkele paarden aankomen. Ik ga kijken en jawel: ruiters. Die had ik nog niet gezien hier.

Ze vertelden over hun ervaringen van de afgelopen dagen. Eén paard was enkele dagen ervoor van een trail gevallen, enkele malen over de kop, maar had het overleefd. Ook zeiden ze dat het trail tot Beatty lake erg steil was (ik ga dat morgen lopen; ben benieuwd).

Toen ik vertelde over wat ik al gedaan had en nog van plan was, reageerden ze verbaasd: ‘On your own? Wow, you are hardcore!’ Hmm, als deze mensen dat al zo zeggen, doe ik hier dan wel goed aan?

Dag 3 – toen het spannend werd

Daar sta ik dan. Na een steil skreefield en enkele sneeuwvelden te hebben bedwongen, ben ik boven aangekomen. Moe van de klim zit ik gehurkt, terwijl de stormwind mij van de berg probeert te blazen. Echt een natuurlijk reflectiemoment. Wat doe ik hier? Terug wil/kan ik echt niet. Naar beneden is immers nog enger dan naar boven. Maar doorgaan lijkt haast onmogelijk, al was het maar vanwege de wind. Na enkele minuten neemt de wind wat af en ik ga verder: verder omhoog de bergkam op.

Enkele moeilijke stukken worden afgewisseld met makkelijke. Afgezien van de snijdende wind gaat het even best goed. De wind, vanuit het westen (van links), voelt redelijk betrouwbaar en is niet extreem vlagerig. Een voorbeeld van een moeilijk stukje:

Een spannend stuk. Het pad is rechts. Niet goed zichtbaar is hoe steil het links daarvan is.
Deze foto van hetzelfde stuk heb ik van internet geplukt. Hierop is het al duidelijker: aan de westkant is het écht steil. Noot: deze mensen doen dit duidelijk niet tijdens een westerstorm ;-).

Soms moet ik even laag blijven of even pauzeren, om mezelf staande te kunnen houden. Soms zit ik even om uit te rusten. Ik heb zelfs even moeten kruipen omdat ik door de wind niet kon blijven staan (‘Als deze stenen maar niet loszitten.’). Ik bedenk me: dit had ik niet moeten doen. Mijn kinderen hebben mij nodig; ik moet wel thuiskomen! Ik ga uiterst behoedzaam door. Het is niet erg als het laat wordt; als ik maar aankom. Ik bleef me maar afvragen wat me nog te wachten stond: zou het trail nóg moeilijker worden?

Gaandeweg zie ik het wolkendek zich sluiten. De lucht wordt dreigender; er ontstaan donkere regenwolken. Af en toe slaan er – vrijwel horizontaal – wat dikke druppels in mijn gezicht. Ik maak enkele foto’s van wat er op mij afkomt:

Twee aan elkaar geplakte foto’s, genomen tegen de wind in.

Terwijl ik net weer een lastig stukje doe, zie ik verderop mensen die mijn kant op komen. De eerste mensen die ik zie sinds ik boven ben. Ik vraag hen: hoe moeilijk is het trail verderop? Zij zien het stukje dat ik net heb gedaan en zeggen: nee, zó moeilijk hebben we het nog niet gezien. Gelukkig! Ik heb de zwaarste stukken gehad! Mocht ook wel; ik had inmiddels al zo’n twee kilometer over de bergkam afgelegd.

Weer 100 meter verder was met een stapel stenen een plaats gemaakt om te schuilen. Ik rust even uit. Op dat moment zet de regen door. Ik trek snel mijn regenbroek aan en doe de regenhoes om de rugzak. Terwijl ik de rugzak op mijn rug probeer te krijgen, waait de regenhoes er meteen weer vanaf. Het blijft toevallig ergens aan vasthangen en ik kan ‘m grijpen. Dan maar zonder regenhoes.

Vanaf hier gaat het omlaag, best wel steil. De regen gaat over in hagel, dat door de wind nog steeds vrijwel horizontaal vliegt. Tot overmaat van ramp begint het ook nog te onweren. Nee! Ik sta hier op een bergkam, ik ben het hoogste punt. Ik moet van deze berg af!

Opeens gaat het snel. Achter mij doemen twee koppels op: één koppel dat dezelfde route heeft gevolgd als ik en het koppel dat ik kort ervoor was tegengekomen. Ze komen in een krankzinnig tempo van de berg af. ‘Dit is levensgevaarlijk. We moeten van de berg af!’ Ik loop niet zo snel over de natte skree en doe er alsnog een half uur over om de laatste paar honderd meter naar beneden te lopen.

Beneden aangekomen tref ik een gezin (5 volwassenen). Ze vertellen dat ze naar dit gebied zijn gekomen met als doel de Northover ridge. Vorig jaar waren ze hier ook al, toen zijn ze gestrand door slecht weer. Nu zaten ze te dubben of ze nog konden gaan. Anders kregen ze pas volgend jaar weer een kans. Ook zeiden ze dat ze jarenlange ervaring hadden met hiken – en deze trail stond al lang bovenaan hun lijstje. Ik vertelde over mijn ervaringen (‘This was too much’, ‘The weather tried to kill me’ – dat soort bewoordingen), wens ze succes met hun beraadslagingen en ga verder.

Later komen ze mij weer voorbij. Duidelijk teleurgesteld hebben ze het enige zinvolle besluit genomen. ‘Nobody will be doing that trail today anymore. Better luck next year.’ Ik was één van de 5 mensen die de trail hadden kunnen lopen vandaag.

We liepen samen naar de camping bij Beatty Lake. Onderweg zagen we op grote afstand een grizzly. Ik heb een foto gemaakt, maar kan ‘m er niet meer op terugvinden. Kortom, het was erg ver weg. ‘That’s how we like to see them: at a great distance!’

Zoekplaatje: er staat een grizzly beer ergens op deze foto.

Aangekomen op de camping in Beatty lake, bleek deze vol te zijn (er waren in totaal 4 kampeerplaatsen). Ik vond alsnog een geschikt plekje voor mijn tent. Moe begin ik aan het opzetten ervan. Op dat moment komt er iemand aangelopen, die zegt: ‘Camping permits please’. De moed zakt me in de schoenen. Wat nou permits? Hier hoef ik geen reservering te hebben, ik ben in British Columbia! Ik vertel dat en gelukkig vertellen de andere kampeergasten hetzelfde verhaal. De kampeerwacht, zelf uit Alberta, was door gasten gevraagd om permits te controleren, omdat er nog een groep aan kwam die ook nog ging kamperen. Het bleek allemaal een storm in een glas water. Ik zette mijn tent op en sprak wat met de andere gasten. Toen ik over de grizzly vertelde, zei iemand: ‘Ik hike al 20 jaar in dit gebied en heb nog nooit eentje gezien.’ Het begon me te dagen dat dit een dag was geweest met wel enkele heel bijzondere ervaringen. Om 19:00 lag ik in mijn tent en al snel sliep ik. Wat een dag.

Dag 3 – de klim naar de Northover ridge

Wat heeft het hard gewaaid vannacht. En vandaag overdag is het al niet veel beter. Wel is het weer een zonovergoten dag. Fijn. Ik heb vooralsnog geluk met het weer deze vakantie! Vandaag staat de Northover ridge op het programma. Dit is waar ik naar uit heb gekeken: kilometers lang lopen over een bergkam. On top of the world, baby!

Er zijn twee routes. De ene begint al ten zuiden van Mount Northover en gaat vlak langs de hoogste piek. Laatstgenoemde gaat eerst door het dal waar ik heb overnacht pas van daar uit naar de bergkam. Ik besluit om te gaan voor de hoogste route. Hoger is beter, toch? Daarvoor moest ik een lastige klim doen, want er is geen trail tussen beide routes en helemaal naar het begin teruglopen was wel erg ver (en daarmee zou ik weer langs de haast verticale rotswand moeten lopen bovenaan de pas – en dat wilde ik niet nog eens hoeven doen). Bovenaan aangekomen liep ik een stukje over de bergkam, maar ik raakte het trail kwijt. Ik besloot om terug te gaan. Ik kwam hier niet om te klimmen, maar om te hiken. Én ik vond het te gevaarlijk om dit stuk te klimmen. Ik ben weer teruggegaan naar het lager gelegen pad en kwam dus enkele uren later weer langs de plaats waar ik heb overnacht. Grr.

De rode stip is tot waar ik gekomen ben langs de ‘hoge route’. De rode lijn is de route die ik daarna heb genomen.

Het trail gaat over sneeuwvelden. Dat was nieuw voor mij. En is nog best lastig. Elke voet moet je goed diep in de sneeuw vastzetten, anders glij je weg. En zelfs als je dat doet, gebeurt dat soms. En die sneeuwvelden zijn behoorlijk steil. Ik heb deze sneeuwvelden gelopen, maar ook deels erlangs geprobeerd te lopen, over het skree. Dat kende ik ten minste. Inmiddels vind ik sneeuw makkelijker om op te lopen dan skree, maar dat was op dag drie nog niet het geval. Het was spannend om zo naar boven te lopen.

Bovenaan bleek een ware westerstorm te woeden. Op sommige momenten kon ik mijzelf niet staande houden, zelfs niet met beide stokken diep in de grond. Ik heb een tijdje op mijn hurken gezeten, maar wilde wel door. Toen de wind iets ging liggen, ging ik verder, de bergkam op. Hee, terug ging ik zeker niet!

In de uren die volgden heb ik – vaker dan me lief is – spijt gehad van dit besluit om door te lopen.

Dag 2 – naar de tarn lakes

07:30 op. ’s Nachts best wat spierpijn en wat kramp gehad. Tja, ik ben dit ook niet gewend natuurlijk. In het originele plan zou ik vandaag naar de top van Mount Marlborough klimmen. Netto zo’n 800 meter omhoog. Na de afdaling zou ik dan over een pas lopen net ten zuiden van Northover mountain om naar het achterliggende dal te komen; de slaapplaats voor de tweede nacht.
Ik liep in de richting van Mount Marlborough, maar keek af en toe naar de pas die ik daarna zou moeten lopen. Die zag er ook best uitdagend uit. Met de les van gisteren in het achterhoofd, heb ik me bedacht en besloot ik om alleen de pas te lopen vandaag. Het ging een kort dagje hiking worden.

Ik liep de pas omhoog. Best lastig nog, weer over een skreefield. Ik dacht op grote afstand enkele beren te zien, maar ben daar niet zeker van. Op sommige stukken raakte ik het trail kwijt, maar vond het telkens weer tijdig terug. Vlak voor het hoogste punt van de pas moest ik klimmen langs een steile wand. Vallen was geen optie (20 meter recht omlaag). Doodeng. Nét even te spannend om te doen met een rugzak van 25 kg op mijn rug. Het uitzicht direct daarna maakte het echter de moeite waard:

In het midden: de bovenste van de twee Northover tarn lakes.

Met het oversteken van de pas, was ik nu niet meer in Alberta, maar in British Columbia (‘B.C.’). En dat betekent dat ik hier wild mag kamperen. Ik heb mijn tentje rond het middaguur opgezet rechts van het meertje; op een plateau zo’n 15 meter boven het meer. Water kwam vandaag niet uit een riviertje. Ik heb sneeuw gesmolten. Werkte ook prima.

Wat minder goed lukte, was het ophangen van het eten. Niet alleen waren hier geen bomen, er was ook geen overhangende rots te vinden. Ik heb het eten uiteindelijk maar begraven in het skreefield. Diep genoeg om knaagdieren buiten te houden (er liepen hier hoary marmots rond), maar als een beer het zou vinden, zou het weg zijn. Maar goed, dat is beter dan het in de tent te bewaren.